Muziek en gevoel
Introductie
Heb je het extra idee uit les 1 uitgevoerd? Laat dan een paar klokken horen die kinderen opgenomen hebben.
Anders: Laat een aantal klokken horen met behulp van de filmpjes.
- Wie kan vertellen wat we al weten over het slaan van klokken?
- De leerlingen benoemen een functioneel geluid (les 1) en doen dit na met de stem.
Uitvoering
- De leerlingen krijgen een instrument. Laat ze experimenteren welke geluiden ze ermee kunnen maken. Denk aan: hoog of laag, lang of kort, snel of langzaam, soorten geluiden. Bespreek daarna wat de leerlingen hebben ontdekt. De leerlingen demonstreren hun geluiden aan elkaar.
- Laat de geluiden van de echte klokken in de filmpjes nog eens horen. De leerlingen spelen het ritme mee.
- Wie kan met zijn instrument het geluid het beste nabootsen?
- Praat met de leerlingen over emoties: vrolijk, verdrietig, angstig. Hoe kijk je als je vrolijk, verdrietig of bang bent (of moet vluchten)? De leerlingen maken gezichten en kijken naar elkaar.
- Vraag daarna welke geluiden horen bij de drie gevoelens. Laat de leerlingen de geluiden voordoen met de stem. Bijvoorbeeld: Snelle tralalala = vrolijk. Donkere, langzame, zachte boemmmm boemmmm = verdrietig. Hard, schel en kort = angst.
- De leerlingen bewegen erbij. Tralala = huppelen en dansen, boemmm = sloffen of stil zitten, toeoeoett! = opschrikken en wegrennen, toeoeoett! = opschrikken en wegrennen.
- De leerlingen maken in groepjes van vier een klankstuk. Ze repeteren dit met hun instrumenten. Het past bij:
- Een vrolijk moment
- Een verdrietig moment
- Een waarschuwing voor gevaar
- Een groepje speelt hun klankstuk voor. Vraag aan de rest van de leerlingen:
- Wat heb je gehoord?
- Waarom vond je het passend bij de opdracht?
- Bespreek waarom het past bij vrolijk of droevig of waarschuwing of...
- Idee: de leerlingen maken zelf een ringtone. In groepjes of samen onder begeleiding van de leerkracht.
- Een ringtone voor als je opbelt omdat je iets leuks te vertellen hebt
- Een ringtone voor als je iets minder leuks te vertellen hebt.
Afsluiting
Berg samen de instrumenten op.
Verwoorden
Reflectie
- Wat hebben we gedaan?
- Wat zijn hoge en lage geluiden?
- Waarmee kun je geluiden kort of lang laten klinken?
- Welke instrumenten kun je heel snel of heel langzaam bespelen?
- Welke tonen klinken vrolijk en welke droevig en welke gevaarlijk?
- Welk(e) geluid(en) vind jij het fijnst?