Groep 3/4 – Week 1 – Les 3

Muziek en gevoel

Algemene informatie

  • Groep: 3 en 4
  • Tijdsduur: 40 minuten
  • Onderwerp(en): geluiden van klokken en zelf geluiden maken
  • Leergebieden: muziek (geluiden herkennen en nadoen)
  • Vaardigheden: communiceren, creatief denken en handelen
  • Begrippen: hoog en laag geluid; kort en lang geluid; ritme van het slaan van klokken
  • Kerndoelen: 54: De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken, om er gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om ermee te communiceren.

Korte uitleg van de les

De leerkracht laat verschillende klokgeluiden horen en de kinderen gaan de geluiden, het tempo van slaan en het soort geluid nadoen op instrumenten.

Nodig

  • Muziekinstrumenten zoals triangel, belletjes, tamboerijn
  • Diverse filmpjes van klokken

Leerdoelen

  • De leerlingen weten dat er hoge en lage klanken zijn en korte en lange.
  • De leerlingen begrijpen dat bepaalde instrumenten bepaalde geluiden kunnen maken en zij kunnen die geluiden zelf spelen.

Voorbereiding voor de leerkracht

  • Reserveer eventueel de speelzaal
  • Zet de filmpjes klaar

Muziek en gevoel

Introductie

Heb je het extra idee uit les 1 uitgevoerd? Laat dan een paar klokken horen die kinderen opgenomen hebben.
Anders: Laat een aantal klokken horen met behulp van de filmpjes.

  • Wie kan vertellen wat we al weten over het slaan van klokken?
  • De leerlingen benoemen een functioneel geluid (les 1) en doen dit na met de stem.

Uitvoering

  • De leerlingen krijgen een instrument. Laat ze experimenteren welke geluiden ze ermee kunnen maken. Denk aan: hoog of laag, lang of kort, snel of langzaam, soorten geluiden. Bespreek daarna wat de leerlingen hebben ontdekt. De leerlingen demonstreren hun geluiden aan elkaar.
  • Laat de geluiden van de echte klokken in de filmpjes nog eens horen. De leerlingen spelen het ritme mee.
  • Wie kan met zijn instrument het geluid het beste nabootsen?
  • Praat met de leerlingen over emoties: vrolijk, verdrietig, angstig. Hoe kijk je als je vrolijk, verdrietig of bang bent (of moet vluchten)? De leerlingen maken gezichten en kijken naar elkaar.
  • Vraag daarna welke geluiden horen bij de drie gevoelens. Laat de leerlingen de geluiden voordoen met de stem. Bijvoorbeeld: Snelle tralalala = vrolijk. Donkere, langzame, zachte boemmmm boemmmm = verdrietig. Hard, schel en kort = angst.
  • De leerlingen bewegen erbij. Tralala = huppelen en dansen, boemmm = sloffen of stil zitten, toeoeoett! = opschrikken en wegrennen, toeoeoett! = opschrikken en wegrennen.
  • De leerlingen maken in groepjes van vier een klankstuk. Ze repeteren dit met hun instrumenten. Het past bij:
    • Een vrolijk moment
    • Een verdrietig moment
    • Een waarschuwing voor gevaar
  • Een groepje speelt hun klankstuk voor. Vraag aan de rest van de leerlingen:
    • Wat heb je gehoord?
    • Waarom vond je het passend bij de opdracht?
    • Bespreek waarom het past bij vrolijk of droevig of waarschuwing of...
  • Idee: de leerlingen maken zelf een ringtone. In groepjes of samen onder begeleiding van de leerkracht.
    • Een ringtone voor als je opbelt omdat je iets leuks te vertellen hebt
    • Een ringtone voor als je iets minder leuks te vertellen hebt.

Afsluiting

Berg samen de instrumenten op.

Verwoorden

Reflectie

  • Wat hebben we gedaan?
  • Wat zijn hoge en lage geluiden?
  • Waarmee kun je geluiden kort of lang laten klinken?
  • Welke instrumenten kun je heel snel of heel langzaam bespelen?
  • Welke tonen klinken vrolijk en welke droevig en welke gevaarlijk?
  • Welk(e) geluid(en) vind jij het fijnst?