Groep 1/2 – Week 1 – Kleine kring

Rijmwoorden, flitskaarten, geluiden

Rijmwoorden

Laat kinderen rijmen, nazeggen, zingen en bewegen bij de woorden.

  • Hier: de letter ie. Hier, vier, pier, zier, zwier, ier….
  • Pas op: de letter a. as, las, had, kat, mat,……….
  • IJsje: (toegift): de klank ‘ei’ of ‘ij’: ijsje, wijsje, pijn, wijn, klein, rein………
  • Waar: daar / schaar / naar / zwaar
  • Rij: bij / zij / mij
  • Band: rand / zand / hand
  • Hond: rond /mond
  • Paard: staart / maart / haard

Flitskaarten

Laat afbeeldingen zien van het verhaal, zoals b.v. geit, varken, klok. De kinderen benoemen de afbeeldingen en onthouden ze. De leerkracht vraagt na:

  • Welke kaartjes heb ik laten zien?

Geluidenles

De leerlingen doen allemaal de ogen dicht, ongeveer een minuut, en luisteren naar wat ze horen (alle geluiden in de klas, uit de omgeving).

Bespreek met de kinderen:

  • Wat heb je gehoord?
  • Wie of wat maakte het geluid?
  • Wat is er nodig om geluid te maken?

Vervolg

Geef kinderen de opdracht om in tweetallen (coöperatief werken) te zoeken naar een voorwerp in de klas waarmee ze geluid kunnen maken (kast, tafeltje, papier, potlood etc.). Laat kinderen voorzichtig zijn met de spullen die ze gaan gebruiken.

  • Zoek iets waarmee je geluid kunt maken.
  • Probeer eens of dat ook echt lukt.
  • Kun je op meer manieren geluid maken met dit voorwerp?

Na het onderzoek blijven de leerlingen in tweetallen staan bij hun favoriete ‘muziekinstrument’:

  • Ze laten het geluid aan hun medeleerlingen horen.
  • Wie kan er nog een manier bedenken om hiermee geluid te maken?
  • Hoe klinkt het geluid? (hard, zacht, rinkelend, tik, bong, boing, of …?

Kun je er een liedje op spelen?